Eigen Kracht-conferenties kunnen verplichte zorg in de psychiatrie versterken

1 september 2015

Het betrekken van de familie bij de bij verplichte zorg in de GGz is niet eenvoudig. Zowel de cliënt, als de familie en de hulpverlener zitten er niet altijd om te springen. Maar onderzoek laat zien dat eventuele beschadigde relaties met familie toch hersteld kunnen worden.

‘Zonder mijn familie ben ik niks’. Dit zegt Liedeweijn Veldman (8) in de serie ‘Dit ben ik’ in de Volkskrant.[1] In die serie worden kinderen geportretteerd aan de hand van vaste vragen. Ze wil later geschiedenisjuf worden, heeft drie salamanders en krijgt voor klusjes in huis 1 euro. Een foto van het meisje zittend op de bedrand staat naast de tekst afgedrukt. Onbevangen kijkt ze in de camera. Op de vraag ‘wat is je belangrijkste bezit?’ zegt ze niet ‘mijn cavia’, maar ‘mijn familie’.

In ons onderzoek naar Eigen Kracht-conferenties (EK-c) bij verplichte zorg in de GGz [2] zien we vaak dat deze vanzelfsprekendheid schade heeft opgelopen. Bij eerste psychoses zien we meestal nog wel die emotionele betrokkenheid, maar als later blijkt dat de psychiatrische kwetsbaarheid niet voorbij zal gaan en dat het lijden, het niet meer kunnen, het steeds maar weer onbedoeld in conflict raken met jezelf, met anderen, het niet meer kunnen functioneren, als dat dagelijkse realiteit wordt – dan verandert dat.

Schaamte om problemen te delen met je sociale netwerk

Jan Pols laat in zijn boek over veertig jaar psychiatrie [3] zien dat het vak om deze dagelijkse realiteit draait. We zien in ons onderzoek dat er drie soorten ambivalenties een rol spelen in het betrekken van familie. De eerste is dat cliënten hun familie, of beter gezegd hun sociale netwerk van familie, vrienden, buren en collegae, er niet bij willen betrekken. Schaamte om de problemen te delen met het sociale netwerk, of terughoudendheid om het netwerk te belasten bleken redenen te zijn om het bij professionele hulpverleners te houden.

Het familienetwerk wil zich niet altijd te bemoeien met de cliënt

De tweede ambivalentie heeft betrekking op de omgeving. Het familienetwerk is niet altijd bereid om zich (weer) te bemoeien met de cliënt. Vaak hebben ze een lange geschiedenis achter de rug waarin de psychiatrische kwetsbaarheid van hun zoon, dochter, broer, zus, vader of moeder in meer of mindere mate gevolgen heeft gehad voor hun leven. Soms had men al afscheid genomen, in andere gevallen afstand bewaard of een manier gevonden waarin een gedoseerde vorm van betrokkenheid de boventoon voert. Het eventueel meewerken aan een EK-c brengt de pijn die dit heeft gekost weer terug. Soms wil men niet opnieuw betrokken raken omdat men bang is voor nieuwe incidenten. De wederzijdse ambivalentie tussen cliënten en sociale netwerken kunnen elkaar bovendien voeden; cliënten en familie die elkaar niet willen bezeren.

De hulpverlener wil lang niet altijd sociale netwerken erbij

De derde ambivalentie betreft de hulpverlener. Die is lang niet altijd genegen om sociale netwerken er bij te betrekken of de omgeving te zien als partner in de zorg. Verwonderlijk is dit niet. In een context waarin het denken en doen sterk georiënteerd is op ‘ik en mijn cliënt’, waar individueel-medische behandelplannen en privacyoverwegingen de boventoon voeren, waar het beheersen of vermijden van risico’s onderdeel is van de bedrijfscultuur, waar bezuinigd en gereorganiseerd wordt en verhalen over ‘eigen kracht’ de angst voeden voor overbodigheid, is draagvlak voor innovatie waar de GGZ dienstbaar wordt aan een plan dat het sociale netwerk maakt, niet meteen voorhanden.

De rol van de hulpverlener om hulpbronnen te mobiliseren of een EK-c van de grond te krijgen is evenwel cruciaal. Hij of zij is degene die cliënten informeert over EK-c’s, hij of zij is degene die de ambivalenties signaleert en bespreekbaar maakt, hij of zij stelt voor om de kring groter te maken. Zonder deze alertheid en zonder een diepgaand begrip van de koudwatervrees bij cliënten en familie, geen EK-c. In ons onderzoek naar EK-c’s bij verplichte zorg zien we dat familieleden durven mee te doen aan het eigen kracht-plan als ze het idee hebben dat de GGz een zelfbewuste en continue factor is. Zodra ze twijfels hebben over de bereikbaarheid, de stevigheid van de hulpverlener, of als er in het verleden veel wisselingen geweest in personeel, dan zijn ze huiverig om weer betrokken te raken en zich actief in te zetten.

Leren van Canada, Finland, Australië

Van de rurale psychiatrie in Canada, Finland, Australië en andere dunbevolkte landen kan veel geleerd worden. In die landen is men gewend om psychiatrische crises in de thuissituatie op te lossen; klinieken, bedden of specialistische hulp zijn letterlijk ver te zoeken. Men is van oudsher gedwongen om in een hecht partnerschap met het thuisfront te roeien met de riemen die er zijn. Wij staan in Nederland aan het begin van een leerproces naar deze praktijken.

De vanzelfsprekende waarde van je familie die voor het meisje uit de krant waar dit stukje mee begint zo voorop staat, kan verloren gaan. Ons onderzoek laat zien dat dit soms ook (gedeeltelijk) weer hersteld kan worden.

Gert Schout is leider van het onderzoek ‘Eigen kracht bij BOPZ’ bij de afdeling Metamedica van het VUmc.

Noten:

1. Liedeweijn Veldman (8) in de serie ‘Dit ben ik’. Volkskrant, V10, 2 juni ’15
2. Schout, G., Landeweer, E., Van Dijk, M., Meijer, E., & De Jong, G. (2015). Eigen Kracht-conferenties bij verplichte GGz. Een onderzoek naar proces en uitkomsten. Amsterdam: VUmc
3. Pols, J (2015). Veertig jaar psychiatrie. Een dynamische doolhof. De Tijdstroom

Bron: socialevraagstukken.nl